Cosplayers, gamers, tekenaars en mangafans – omarm je geeky zelf!

Marle ziet het helemáál niet zitten om een weekend lang omringd te worden door otaku – fans van Japan. Ze is door haar vriendinnen meegesleurd naar een animeconventie en stiekem op zoek naar een schokkend schrijfonderwerp. Dan ontmoet ze een mysterieuze ridder die haar de wonderen van het festival toont – maar ze raakt hem op slag weer kwijt!

Dat is het begin van de Pindakaas en Sushi-trilogie: drie boeken vol nagelbijtende en hilarische verwikkelingen van Marle en haar vrienden. Vriendschappen, hersenspinsels en verre reizen naar Japan! De serie heeft al duizenden Nederlanders en Vlamingen weten te bekoren, zowel rasechte Japanfans als lezers die er nieuwsgierig naar waren.

Leesfragment

‘We hebben op je gewacht,’ zegt Esther. ‘Die daar staan al te trappelen.’

Joyce zwaait naar me als ik onwennig en gehaast aan kom lopen op het festivalterrein. Ik ben in Japan, het is hoogzomer, stikheet en ik zou nergens anders liever willen zijn dan hier.

‘Kom kom kom,’ spoort Joyce aan, ‘de muziek is al begonnen!’

Kenji zwaait met zijn arm om ons naar het paviljoen te leiden. ‘Nu we allemaal hier zijn, let’s dance. Kennen jullie het een beetje? Anders doe je maar wat de rest ook doet, het komt niet nauw.’

In het midden is een cirkelvormig podium met vlaggenslingers die als een spinnenweb de arena in lopen. Daar begint de traditionele dans. Bezoekers lopen rond het podium en zwaaien met hun armen. Ik hoor het geploink van de shamisen, een Japanse gitaar. Ik voel het ritme van drums en trommels. En boven alles komt het lillende gezang uit van een vrouw die onverstaanbare klanken produceert. Haar stem trilt en slaat over, klanken die hier diep uit de volksziel komen. Het is anders en raar en hypnotiserend.

Met een duw van Kenji belanden we tussen de dansers. Op de maat van de taikodrum zet ik mijn voeten neer. Ik kopieer het armzwaaien van de rest en voel me een beetje belachelijk, maar omdat iedereen het doet, maakt het niet uit. Niemand kijkt naar ons. Sterker nog, alle aanwezigen lijken op te gaan in deze groepsdans.

‘Een bijzondere avond,’ zeg ik tegen Kenji. ‘De sfeer hier, en wat ik meemaak, met deze muziek, en het licht. Is Japan altijd zo?’

‘O, absoluut,’ begint hij, ‘absoluut niet. Doorgaans is iedereen under pressure om te presteren. En wee je gebeente als je niet bij de groep hoort, dat is het ergste. Stel dat je Chinees bent, of Koreaan. Dan hoor je er niet bij.’ Dan lacht hij weer. ‘Maar nu? Nu is Japan even the most wonderful place on Earth.’

‘Ja. Op deze plek kan ik geloven dat er yokai bestaan.’

Hij hopt dichter bij me en botst expres tegen me aan met zijn dij. ‘O? Heb ik zoveel indruk op je gemaakt met mijn spookverhaal? Als je maar onthoudt, yokai hebben soms regels… en soms niet.’

Ik huiver. Japanse geesten winden er geen doekjes om. Ik overweeg om Kenji ook te vragen over de gezichtsloze vrouw, maar alle lust om meer te leren over deze verschijningen is uit me geslagen. Ik wil alleen nog maar dansen op de muziek en de trillerige zang! Armen omhoog, pasjes naar voren, klap in de lucht. Kenji danst weer van me vandaan en hupt naar Joyce toe, die haar arm om de zijne slaat. Ze dansen verder om het podium heen.

Niet lang daarna is het welletjes voor me. Esther beweegt zich naar de rand toe en ik volg haar, voorzichtig dat ik niet over mijn yukata struikel. Samen klimmen we over de omheining. Er staan bankjes rondom het paviljoen en daar strijken we neer als twee oude vogels die uitrusten terwijl de kuikentjes verder spelen.

‘Ik ben een beetje aan het eind van mijn Latijn inmiddels. Na vandaag, en gisteren Comiket, pfoe.’

‘Hard werken, vakantie.’

De dansers draaien rond, het orkest is onvermoeibaar. Esther wrijft over haar onderarm, waar nog steeds vagelijk striemen op staan. Het zijn treinrails, kriskras door elkaar. Ze lopen van haar pols tot het binnenste van haar elleboog. Het gros is al weggeëbd tot witte herinneringen, er zitten geen verse, gloeiend rode sneeën tussen. Esther heeft dit hoofdstuk gesloten.

Ineens barst de duisternis boven ons open. Bollen van licht exploderen in de hemel. In de verte klinkt gefluit en gedonder, fantastische vormen flitsen omhoog en doven weer.

‘Vuurwerk!’

We kijken samen naar de show, die uit de richting van de baai komt. Er is daar een spektakel gaande en het houdt niet op. De volle breedte van het uitzicht, alles hoger dan de boomtoppen, laait op met kleurrijke flitsen.

‘Hanabi,’ mijmer ik, ‘dat ik heb ik pas geleerd. Vuurwerk in het Japans.’

‘Hana-bi,’ rolt Esther in haar mond. ‘Mooi woord.’

‘Het betekent letterlijk vuurbloem.’