Ga naar de inhoud

WAT IS HET STERRENLICHAAM?

In een toekomst waarin Japan het zonnestelsel heeft gekoloniseerd, reist een mijnwerkersteam door de ruimte om een mysterieuze grondstof te delven – een reusachtig buitenaards lijk.

Een catastrofaal ongeluk in diens kronkelende ingewanden dwingt exobiologe Joan, voorman Kev en de gehaaide carrièrejager Okyū om samen te werken om te overleven. Achterdocht en concurrentiestrijd vormen al snel een dodelijke cocktail. Maar wat ís het sterrenlichaam eigenlijk?

Sterrenlichaam is een sciencefictionroman gebaseerd op het korte verhaal waarmee Roderick Leeuwenhart in 2017 de Harland Awards won, de belangrijkste genreprijs in Nederland. Het boek is tevens naar het Chinees vertaald door de grootste Chinese uitgever van SF, Science Fiction World.

LEESFRAGMENT

Joan werd verrast door een oorverdovende krak, gevolgd door het lawaai van duizend keien die van een helling bolderden. Geschreeuw uit de slokdarm. Kensuke, naast haar, keek geschrokken om. Ze stonden op de drempel van een van de achterste aders, klaar voor een dagtrip.

Er begon iets aan haar armen te trekken.

Ditmaal reageerde ze meteen – de vuurzee in het schimmelveld had haar op scherp gezet. Ze zette zich schrap. De kreten van de mijnwerkers werden overstemd door het geraas van een windhoos. Het vacuüm zoog en likte, wilde haar terug de slokdarm in sleuren en verder, door de mond naar buiten.

‘Haak je vast!’ riep ze.

Beiden klampten ze zich vast aan een van de spanningsbeugels, die als zilveren wachters langs de aderwand stonden om instorting te voorkomen. Het tweetal werd van zijn voeten getild. De wind lokte een gorgelend geluid uit de diepte van de tunnel. Joan trok zich dichter tegen de stevige veer aan en hoopte dat deze klem genoeg stond om het vol te houden.

Ze draaide haar hoofd om de aderopening te zien. Die fladderde rond in het geweld van natuurkundige krachten. Vonken en rookslierten vlogen voorbij, net als uit de bodem gerukte rails. Een flits van een persoon, hulpeloos in de tornado, waarop Joan snel haar ogen dichtkneep.

‘Je koffer!’ riep Kensuke van de overkant, wapperend als een windvaantje aan zijn eigen beugel.

Joans onderzoekskistje had zich onopgemerkt losgewurmd van haar riem en stond op het punt weg te vliegen.

Wander!

Zonder nadenken reikte ze naar het handvat en griste hem uit de lucht, net op het moment dat de maalstroom er grip op kreeg. Haar andere arm zat nog om de rekkende veer gekromd, haar voeten schopten in het luchtledige.

‘Volhouden!’ riep ze, meer ter aanmoediging van zichzelf.

Kensuke was volop bezig met zijn eigen worsteling. Maar, zag Joan, zijn beugel vibreerde en had zich aan de basis al half uit het weefsel gewerkt. Ze wilde hem waarschuwen, maar het was te lastig om lucht in haar longen te krijgen. Met alle macht hield ze haar twee verworvenheden vast: de metalen constructie en haar Wander.

Explosies op de achtergrond; twee, drie, meerdere achter elkaar. De tunnel lichtte roze op en een moment lang zag Joan het stelsel van vertakkende microaders onder de huid liggen.

De zuurstoftanks, beredeneerde ze. Ze zijn er allemaal aan gegaan.

Achter haar werd het licht weggetrokken, de warmte, alles wat nog leefde. Ze hoefde het niet te zien om zich de verwoesting voor te stellen. Er was geen ontkomen meer aan: de slokdarm werd de ruimte in gesluisd.

En spoedig zijzelf ook. Dit was niet vol te houden.

‘Nog even!’ kreunde Kensuke met opeengeklemde tanden.

Maar het randje wanhoop in zijn stem was niet te missen. Hij had het door. Zijn beugel wrikte zich met elke seconde losser. Niet lang meer – en daarna volgde zij vanzelf.

Haar vingers schrijnden.

Kensuke schreeuwde.

Daar ging hij. De spanningsbeugel spatte met een knars uit elkaar. Zijn veer sprong vrij, weg uit ongelukkige armen. Kensuke werd naar achteren geslingerd en tolde richting de inmiddels inktzwarte slokdarm.